zomernota 2016
PCPortal

Grondslagen en uitgangspunten

Areaalontwikkeling inwoners en woningen

In het financieel beeld houden we rekening met de ontwikkeling van de woningbouw en de aantallen inwoners. Hiervoor gebruiken we cijfers van Onderzoek en Statistiek en Bureau Wonen.
Deze aantallen worden onder meer gebruikt in de ramingen van het gemeentefonds en de belastingopbrengsten.

Aantal woningen per 1-1

2016

2017

2018

2019

2020

Woningen per 1-1

79.693

80.943

82.243

83.343

84.243

Woningtoename

Bestaande stad

450

500

200

200

200

Waalfront

350

350

300

100

100

Waalsprong

450

450

600

600

600

Totaal

80.943

82.243

83.343

84.243

85.143

Totale woningbouwtoename (productie min sloop)

1.250

1.300

1.100

900

900

Verschil t.o.v. Stadsbegroting '16 (cumulatief)

0

100

200

300

1.200

Ten opzichte van vorig jaar verwachten we een hogere woningbouwproductie. Dit heeft een positief  invloed op de hoogte van het gemeentefonds en de OZB-opbrengsten. In de regel "verschil t.o.v. Stadsbegroting '16 (cumulatief)" is het verschil opgenomen tussen de vorige Stadsbegroting en de huidige inzichten. Deze reeks zorgt voor extra financiële ruimte in het gemeentefonds en OZB-opbrengsten.

2016

2017

2018

2019

2020

Aantal inwoners per 1-1

173.250

174.600

175.600

176.700

177.800

Toename t.o.v. vorig jaar

1.350

1.000

1.100

1.100

De reeks van het aantal inwoners is gewijzigd ten opzichte van vorig jaar. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door een hogere beginstand.

Effect op de begroting

De ontwikkeling van de woningen en inwonersaantallen worden gebruikt bij het doorrekenen van het gemeentefonds. Dit blijkt uit de regel " aanpassingen aantallen" in het onderdeel "Algemenen middelen".
Overigens is dit een doorrekening gebaseerd op de septembercirculaire 2015.
Per nieuwe woning ramen we € 400,- per jaar aan OZB inkomsten die beschikbaar komen als algemeen dekkingsmiddel. Met uitzondering van de woningbouwproductie in de Waalfront voor dit gebied hebben we afgesproken dat de OZB inkomsten als opbrengst in de GREX worden meegenomen.
Voor de opbrengstontwikkeling van de OZB niet-woningen gaan we uit van een toename van de WOZ-waarde van € 100 miljoen per jaar (ca. 2% van het areaal). Voor de jaren tot en met 2019 is dit al in de begroting verwerkt.
Omdat de toename van het aantal woningen veelal gepaard gaat met een uitbreiding van de openbare ruimte hebben we afgesproken dat er per nieuwe woning € 400,- aan onderhoudsbudget aan het programma openbare ruimte wordt toegevoegd.
Verder voegen we per woning € 100,- en de helft van de opbrengst uit areaalontwikkeling OZB niet-woningen aan de kapitaallasten toe. Hiermee vergroten we onze investeringsvolume.

De hierboven beschreven begrotingseffecten zijn meegenomen in de ontwikkeling van de algemene middelen.

Indexering

Op grond van de cijfers uit het Centraal Economische plan van het Centraal Planbureau (CPB) van 21 maart 2016 komen wij tot de volgende indexeringspercentages:

Indexeringspercentages

loonsom

materiële lasten

Inflatie (CPI)

Gemeentelijke tarieven

T.b.v. subsidies

Verwachting 2017

2,20%

1,90%

1,10%

Nacalculatie 2016

-0,10%

-0,60%

-0,60%

Indexeringspercentage 2017

2,10%

1,30%

0,50%

1,83%

1,83%

De voorspellingen van het CPB laten een hogere prijsontwikkeling van de loonsom en de materiële lasten zien dan de prijspeil aanpassing die voor het gemeentefonds is aangekondigd. Hiervoor gaat het CPB uit van 0,9%. Per saldo betekent dit dat we € 1,3 miljoen tekort komen op de indexering.

Rente

De commissie BBV heeft eind maart 2016 de notitie "rente" gepubliceerd. In deze notitie wordt ingegaan op de verwerking van rentelasten en rentebaten en de toerekening van rente.
De commissie BBV heeft in de notitie aangegeven dat de toerekening van rente aan eigen vermogen en het doorbereken van rente aan investeringen gebaseerd moet zijn op het rentepercentage van de lang en kort aangetrokken externe financieringsmiddelen. Het rentepercentage dat gebruikt wordt voor toerekening mag maximaal 0,5% hiervan afwijken.
Op dit moment betalen wij voor onze externe financiering gemiddeld 2,1% rekening houdend met een veiligheidsmarge en de toegestane afwijking stellen we voor een rentepercentage te hanteren van 2,5%.
De rekenrente die we hanteren voor grondexploitaties wordt in de volgende alinea toegelicht.

Voorheen gingen we voor de rente voor extern aan te trekken financieringsmiddelen in het laatste begrotingsjaar uit van de interne rekenrente (4%). We stellen voor deze niet meer te baseren op de toegerekende rente, maar de rente die wij zouden moeten betalen op leningen die we nu afsluiten en pas over vier jaar laten ingaan.

Op grond hiervan komen wij tot de volgende rentepercentage:

2017

2018

2019

2020

Rekenrente:

- Inzet van reserves en voorzieningen 

 2,50%

- Doorberekening aan investeringen

 2,50%

- Rekenrente voor planexploitaties

 2,66%

Langlopende leningen

 1,75%

 2,00%

 2,25%

 2,50%

Kortlopende leningen

 0,50%

 1,00%

 1,75%

 2,50%

Planexploitaties

Met de Zomernota worden de parameters voor de doorrekening van de grondexploitaties vastgesteld. Deze parameters worden gebruikt voor de doorrekening van de grondexploitaties waarover wij Uw Raad middels het VGP(peildatum 1 oktober 2016) informeren.

Planexploitaties langlopend

2017

2018

2019

2020

2021

2022 e.v.

Opbrengsten

- woningen

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

- kantoren

0,00%

0,50%

1,00%

1,50%

2,00%

2,00%

- bedrijfsruimten

1,50%

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

- winkelruimten

0,00%

0,50%

1,00%

1,50%

2,00%

2,00%

Grondkosten

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

Rente

2,50%

2,50%

2,50%

2,50%

2,50%

2,50%

Disconteringsvoet

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

Planexploitaties kortlopend

2017

2018

2019

2020

2021

2022 e.v.

Opbrengsten

- woningen

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

n.v.t.

- kantoren

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

n.v.t.

- bedrijfsruimten

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

n.v.t.

- winkelruimten

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

n.v.t.

Grondkosten

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

n.v.t.

Rente

2,50%

2,50%

2,50%

2,50%

2,50%

n.v.t.

Disconteringsvoet

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

n.v.t.

De parameters zijn gebaseerd op een verkenning van de economische ontwikkelingen. Belangrijke bronnen hierbij zijn het Centraal Economisch Plan van het centraal planbureau, de NEPROM (Vereniging van Nederlandse Projektontwikkeling Maatschappijen), Rabobank, ING, DTZ Zadelhoff en NVM business.

De conclusie op hoofdlijnen is de volgende. De Nederlandse economie herstelt zich gestaag van de grote recessie en de eurocrises. In de verschillende voorspellingen wordt echter ook gewezen op grote onzekerheden, die neerwaarts van aard zijn (zoals de stabiliteit van de Europese Unie: oa Brexit, aanhoudende terroristische dreiging, monetaire beleid in Europa en de VS en Japan, groei in China e.a. opkomende landen, olieprijsontwikkeling en de ontwikkeling van de financiële markten).
Om die reden zijn de parameters ten opzichte van het voorgaande jaar gehandhaafd (woningen;  
bedrijfsruimten;  grondkosten),  dan wel licht – negatief -  bijgesteld (kantoren, winkelruimten). Mede vanwege de nieuwe BBV-regels is het rente-% dat toegerekend wordt gebaseerd op de daadwerkelijk te betalen rente over vreemd vermogen. Daarom wordt het rente-% aangepast naar 2,50%. Dit percentage is gelijk aan de omslagrente van de gemeente. De BBV-spelregels hebben ook invloed op het disconterings-%, deze is  bepaald op 2,00%. In de Stadsrekening 2015 zijn de effecten van de aangepaste rente-parameter zichtbaar gemaakt in de doorkijk van de saldireserve na 2016 (€ 7.1 miljoen).

Deze actualisatie is niet doorgerekend vanwege de minimale wijzigingen ten opzichte van vorig jaar.

Evenals voorgaande jaren is ook een tweetal alternatieve scenario’s verkend. Een negatief scenario, uitgaande van een tegenvallende economische groei, waardoor de opbrengstontwikkeling in de komende jaren lager is en later aantrekt.
In het positieve scenario wordt de voorspelde woningprijsstijging volledig ingerekend en vervalt de negatieve bijstelling van de parameters voor kantoren en winkelruimte. Ook de opbrengsten voor bedrijfsruimte nemen eerder toe. De uitkomsten van beide scenario’s worden vermeld in de risicoparagraaf van de Stadsbegroting 2017, maar in lijn met voorgaande jaren niet verwerkt in het weerstandsvermogen.

Tot slot is PWC gevraagd een oordeel over deze parameters te geven. PWC herhaalde de opmerking van vorig jaar, dat bij de bepaling van de parameter grondopbrengsten van woningen is uitgegaan van de ontwikkelingen in de regio Arnhem-Nijmegen en niet van de Nijmeegse markt. Wij merken (wederom) op, dat informatie om een goede voorspelling op stedelijk niveau te doen ontbreekt. De informatie op het niveau van de regio Arnhem-Nijmegen is de afgelopen jaren betrouwbaar gebleken. Informatiebronnen op lokaal niveau (oa. de tussentijdse rapportages voor Waalsprong en Waalfront) bevestigen het beeld.

Ook de overige opmerkingen van PWC geven ons geen aanleiding om de voorgestelde parameters aan te passen.