zomernota 2016
PCPortal

Vernieuwing BBV en Stadsbegroting

In 2014 heeft de VNG een adviescommissie ingesteld onder leiding van Staf Depla onderzocht op welke manieren de begroting en jaarstukken toegankelijker kunnen worden voor niet financieel specialisten.
In het eindrapport van deze commissie is een aantal aanbevelingen gedaan die in 2015 en 2016 verder zijn uitgewerkt en inmiddels in het Besluit Begroten en Verantwoorden (BBV) een plek hebben gekregen of gaan krijgen.

Hieronder wordt kort ingegaan op de veranderingen die betekenis hebben voor de begroting en hoe wij daar mee willen omgaan.
Als eerste wordt ingegaan op een tweetal wijzigingen die een financiële betekenis hebben, daarna wordt ingegaan op een aantal wijzigingen die geen financiële consequenties hebben.

Maatschappelijke nut materiële vaste activa (investeringen)

Materiële vaste activa zijn tastbare “objecten” die duidelijk langer dan een jaar meegaan. Bijvoorbeeld gebouwen, bruggen en auto’s. In het “oude” BBV werden de materiële vaste activa ingedeeld naar economische en maatschappelijke nut investeringen. Maatschappelijke nut investeringen zijn de investeringen die we als gemeente doen in de openbare ruimte vanuit onze publieke taken en niet met het oogmerk om met de investeringen middelen te genereren. Concreet gaat het om bijvoorbeeld wegen en groenvoorzieningen.
Van de economische nut investeringen was voorgeschreven dat we de lasten gedurende de levensduur van de investering moesten nemen. Dit doen we door de investeringen te activeren (op de balans te zetten). Vervolgens brengen we jaarlijks een deel van de kosten van de investering ten laste van de programma’s: dit heet afschrijven. Voor maatschappelijke nut investeringen was er een keuze of via jaarlijkse afschrijvingen of in één keer de lasten in de begroting nemen.
Voor de “onderhoudsinvesteringen” in maatschappelijke nut investeringen hebben we in 2010 afgesproken deze niet meer als investering maar als onderhoud te zien. Destijds is voor € 58 miljoen aan dergelijke investeringen afgeboekt en zijn er onderhoudsbudgetten bij de programma’s opgenomen.
Hiermee hebben we een eenvoudig en houdbaar systeem gecreëerd dat in de lopende begroting voldoende ruimte biedt om de bestaande openbare ruimte in Nijmegen op peil te houden.

In het licht van het nieuwe BBV is de manier waarop we het levensduur verlengend onderhoud financieel hebben geregeld zeer waarschijnlijk niet correct. We zullen dit type onderhoud moeten gaan activeren en over de gebruiksduur afschrijven.

Op dit moment is in de begroting tussen de € 5 en € 8 miljoen aan budget opgenomen voor dit onderhoud. De financiële consequentie hiervan is dat we de onderhoudsbudgetten bij het programma weghalen en hiervoor een doorlopend investeringskrediet gaan opgenomen.
Dit houdt ook in dat er in de eerste jaren ruimte ontstaat in de programmabegroting, omdat we onderhoudsbudgetten weghalen. Deze ruimte wordt gedurende de komende jaren ingenomen door de kapitaallasten vanuit de investeringen  Op langere termijn zullen de lasten op de programma’s toenemen, tot zelfs boven het huidige niveau. Dit omdat er rente lasten aan het programma worden toegerekend. Ons voorstel is om het voordelig verschil in de komende jaren ten gunste van de saldireserve te brengen.

Toerekening rente

Wij betalen rente over de leningen die wij bij derden afsluiten. Deze leningen sluiten we vooral af om onze investeringen te kunnen betalen. We rekenen daarom de rente toe aan de gedane investeringen. Dit doen we met een vaste omslagrente van 4%.
Het toerekenen van de rente zorgt ervoor dat de rentelasten op programma’s terecht komen en zorgt voor een opbrengst bij het product “Financiering”. Deze opbrengst wordt afgezet tegen de werkelijke rentelasten.
De afgelopen jaren leverde dit een fors voordeel op: het financieringsresultaat.
Overigens wordt het omslagpercentage ook gebruikt voor de rente die we vergoeden op de reserves.

De commissie BBV heeft aangegeven dat de percentages die gebruikt worden voor de toerekening aan investeringen en aan de eigen reserves gebaseerd moeten zijn op de gemiddelde rente die wij moeten betalen op onze leningen. De afwijking hierop mag maximaal 0,5% zijn. Op dit moment betalen we gemiddeld zo’n 2,2% op de externe financiering. Op basis hiervan stellen we voor om een rentepercentage van 2,5%  te hanteren voor de renteomslag voor de investeringen en de rentevergoeding op de reserves.

Wijziging van omslagrente voor investeringen

Deze wijziging van de omslagrente voor investeringen doet op zich niet heel veel. De toegerekende rentelasten op de programma’s worden lager, dit geeft een voordeel. Hier tegenover staat dat de opbrengst bij “financiering” net zoveel lager wordt. Per saldo dus geen budgettair effect.
Dit geldt met uitzondering voor die onderdelen waarbij de rentelasten deel uit maken van een kostendekkend tarief. Dit doet zich voor bij riolering. Het financieel effect hiervan is meegenomen in het financieel beeld.

Wijziging toegerekende rente aan eigen financieringsmiddelen/reserves

De rente die we toerekenen aan onze reserves storten wij nu in de saldireserve. Dit maakt dat de saldireserve vrij beschikbaar is en dat er een continue groei geregeld is. In de Stadsrekening 2015 wordt uitgegaan van een € 4,1 miljoen in 2017, dat oploopt naar € 5,6 miljoen in 2021.
Het verlagen van het percentage van 4% naar 2,5% maakt dat de storting daalt van € 4,1 miljoen naar € 2,6 miljoen. Een verschil van € 1 ,5 miljoen.
Dit verschil komt vrij als voordelig resultaat in de begroting.  

Indeling naar takenvelden

In het BBV is het begrip product als een verdere indeling van programma’s verdwenen. Daarvoor in de plaats is een uniforme en verplichte indeling van taakvelden gekomen. Voor de begroting 2017 is voorgeschreven om in de begroting een overzicht op te nemen naar taakvelden. In de jaren daarna moeten de takenvelden een plek krijgen in de sturing door de Raad en moet de administratie hierop ingericht zijn.
Voor wat betreft de begroting 2017 gaan we het voorgeschreven inzicht naar taakveld opnemen. We komen later terug op hoe we de taakvelden een plek kunnen geven in de sturing door de Raad.

Voorgeschreven beleidsindicatoren

Een belangrijk doel van de vernieuwing BBV is het vergroten van de vergelijkbaarheid tussen gemeenten. Hiervoor heeft de commissie aangegeven gebruik te willen maken van kengetallen.
Voor de Stadsbegroting 2016 is er een aantal financiële kengetallen voorgeschreven. Vanaf de begroting 2017 zijn voor de taakvelden kengetallen beleidsindicatoren benoemd.
Deze gaan we in de begroting opnemen.

Kosten van overhead – paragraaf bedrijfsvoering

In het vernieuwde BBV wordt voorgeschreven de overhead op één taakveld te verantwoorden en te begroten en niet meer te verdelen naar de andere taakvelden. Door het centraal begroten van de overhead is het niet meer mogelijk om vanuit de taakvelden de tarieven te bepalen. Daarom is in het wijzigingsbesluit van het BBV bepaald dat in de paragraaf lokale heffingen een berekening moet worden opgenomen en een inhoudelijke toelichting over de totstandkoming van de tarieven en de beleidskeuzes die daaraan ten grondslag liggen.
We gaan in de komende periode hiermee aan de slag en zullen vooraf aan de begroting een voorstel doen voor hoe we hiermee omgaan.

Veranderingen voor GREX-en

Het vernieuwde BBV heeft ook consequenties voor de manier waarop we omgaan met GREX-en. In het VGP van januari j.l. is hierop al een voorschot genomen. De komende periode zal dit verder uitgewerkt worden. Bij de begroting zullen we de Raad hierover meer kunnen informeren.